Van de Voorzitter – Verbijzondering of Specialist?

28 feb 2019
Gerard van der Wees
Gerard van der Wees
Voorzitter
Binnen de wereld van de Nederlandse fysiotherapie wordt het woord verbijzondering gebruikt om specialismes binnen de fysiotherapie te duiden. Als je naar de betekenis van ‘verbijzondering’ zoekt kom je nauwelijks relevante beschrijvingen tegen. Dat vind ik verbazingwekkend. Het enige synoniem dat ik tegen kwam was ‘specialist’. Dat verbaast me dan weer niet. Waarom gebruiken we een woord, dat buiten de fysiotherapie nauwelijks te duiden is, om onze specialistische expertise te omschrijven? Wellicht waren daar vele jaren geleden goede argumenten voor. Maar in deze tijd zie ik geen enkele reden meer om het woord ‘verbijzondering’ nog te gebruiken.

Erkend specialisme

Het gebruik van het woord ‘specialisme’ heeft wel  een betekenis. Het sluit nauw aan bij het beeld van patiënten, verwijzers, beleidsbepalers, etc. ‘Specialisme’ heeft een bepaalde lading, een bepaalde betekenis, die aangeeft, dat het onderwerp waar het betrekking op heeft, meer is, dan hetgeen waar het zijn oorsprong aan ontleent.
Vanuit die gedachte betreffende het begrip ‘specialist’ zie ik binnen de fysiotherapie dan ook diverse richtingen die de status van specialisme hebben bereikt en als zodanig ook erkend worden. Zeker door patiënten(organisaties) en externe stakeholders. De manuele therapie is er daar één van.

Geloofwaardigheid specialisme onder druk

Die specialisten-status is niet zomaar tot stand gekomen. In de achterliggende jaren is er binnen een bepaalde richting in ons vakgebied een expert-niveau bereikt doordat er allerhande ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Op het gebied van opleidingen, inzet van koplopers, wetenschappelijke onderzoek, hoogleraren, etc.

Eén van de vereisten van zo’n specialisten-status is het opleidingsniveau van deze specialisten. Het huidige opleidingsniveau is bij de meeste opleidingen voldoende geborgd vanuit het Beroepsprofiel. In ieder geval voor de opleidingen manuele therapie, waar ik zelf meer zicht op heb, dan die van de andere specialismes.

Deze opleidingen bestaan uit een studiebelasting uitgedrukt in 90 EC’s. Nu worden geluiden langzaamaan steeds sterker, dat er opleidingen manuele therapie zijn, die naar een aanzienlijk lager aantal EC’s willen. De opleiding zou afgerond kunnen worden op basis van een programma van 60 EC’s, stellen enkele aanbieders

Dat laatste is een ontwikkeling, die afbreuk doet aan de specialistenstatus waar juist in de achterliggende jaren zo hard aan gewerkt is. Als ik die geluiden hoor, vraag ik me af, of we dan in de achterliggende jaren onze collegae onnodig veel uren hebben laten studeren en colleges hebben laten volgen met louter ballast? Had het dus met veel minder gekund? Of is er domweg niet voldoende lesstof om aan te bieden? Als dat laatste zo is? Ok, dan kan het dus met minder. Maar zijn we dan nog wel de specialist, die we pretenderen te zijn? Is het dan nog aan onze collegae en stakeholders uit te leggen, dat we in de afgelopen jaren meer opleidingsuren hebben gemaakt, dan nodig was?

Bedreiging vakgebied

Als deze lijn, die enkele opleidingen overwegen, werkelijkheid wordt, kun je naar mijn idee de specialistenstatus niet meer overeind houden. En daarmee vind ik deze ontwikkeling dus een enorme bedreiging voor ons vakgebied. Een dreiging die eerder voort lijkt te komen uit economische motieven van opleidingen in plaats van vakinhoudelijke motieven. Een kwalijke zaak omdat wat ons betreft het Beroepsprofiel leidend is en wij van opleidingen verwachten deze als uitgangspunt te hanteren. Waarbij niet de mogelijke minimale vereisten de maat mogen zijn.

Het zal overduidelijk zijn, dat de NVMT deze ontwikkeling met argusogen volgt en waar mogelijk zich zal inzetten voor een verhoging van het opleidingsniveau. Zowel kwalitatief als kwantitatief.

Gerard van der Wees

 

 

Trefwoorden: