De Wetenschapsreporter - mei

30 mei 2019
Roland Reezigt
Roland Reezigt
Van onze Wetenschappelijke reporter
De bijdragen van onze wetenschappelijke reporter voor de maand mei.

Een nieuwe aanwijzing over de veiligheid van cervicale manipulatie en CAD

We zijn voorzichtiger geworden met cervicale manipulaties nadat er veel nieuws verscheen omtrent de veiligheid hiervan. Discussies laaiden hierover op, waarbij steevast argumenten heen en weer gingen omtrent causaliteit en associatie. Komt een CAD door een cervicale manipulatie?

Diverse onderzoekers in Nederland zijn hier nu mee bezig, denk bijvoorbeeld aan Rogier de Best, Nathan Hutting, Rik Kranenburg en Marloes Thoomes. Maar ook in de rest van de wereld worden diverse aannames bekeken. Eerder zagen we al dat de totale uitslag tijdens een rotatiemanipulatie zeer klein was. Een andere mogelijkheid is dat de manipulatie (of de positie) invloed heeft op de doorstroming van het bloed.

In dit onderzoek hebben Moser et al in Canada 20 personen met nekpijn bekeken, specifiek naar cerebrovasculaire haemodynamica (doorstroming naar het hoofd). Zowel naar eindstandige rotatie als naar cwk rotatiemanipulatie is gekeken. Allereerst werd gevonden dat de contralaterale a.vertebralis een verminderde bloodflow had in rotatie eindstand en manipulatie. Er werd echter geen verschil gevonden in de bloodflow van het hoofd zelf (cerebrale haemodynamica). Tevens moet gezegd worden dat het verschil wat er gevonden werd, niet klinisch relevant is.

Deze studie lijkt extra ondersteuning te geven dat cervicale manipulaties het risico op cerebrovasculaire incidenten niet vergroten middels veranderingen in de doorstroming van het bloed. Meer studies zijn nodig, de Nederlandse resultaten zullen ons allen ook helpen om een betere risico inschatting te geven.

Bron:

Moser N, Mior S, Noseworthy M, et al. Effect of cervical manipulation on vertebral artery and cerebral haemodynamics in patients with chronic neck pain: a crossover randomised controlled trial
BMJ Open 2019;9:e025219. doi: 10.1136/bmjopen-2018-025219

Als ik denk dat iets niet goed is, wat doet dat met mijn patiënt?

Elke therapeut handelt naar eer en geweten. Elke therapeut doet zijn best en heeft een zorghart. Wij willen helpen. Met het voor ons geloofwaardig bewijs voor onze therapie maken wij de keuzes waarvan wij denken dat ze het beste doen. Op basis van externe evidentie, op basis van kenmerken, ervaringen, voorkeuren en motivatie van de patiënt en op basis van onze eigen 'beliefs'. Beliefs die ontstaan door cursussen, discussies, congressen, lezen van artikelen, internet, sociale media etc.
Echter zouden onze eigen beliefs een andere invloed op de patient kunnen hebben dan je zou verwachten.

In een RCT gepubliceerd in 2015 heeft huidig bestuurslid Sandra Jorna Lakke allereerst gekeken naar kinesiophobische gedachten bij therapeuten (op basis van de Tampa Scale of Kinesiophobia for health care providers (TSK-HC). De totale groep is gesplitst in twee subgroepen, grofweg vertaald als zij die denken dat je 'verkeerd' kan tillen (en dit ook tegen een pt zouden zeggen) en zij die denken dat het niet veel uitmaakt, gezien de rug zeer sterk is (en dit ook tegen een pt zouden zeggen). Oftewel, een kinesiophobische groep (pas op voor tillen) en een nonkinesiophobische groep (til zoals het goed voelt voor jou). Tevens is gekeken bij participanten (gezond!) hoe ze hierover dachten.

Daarna zijn alle participanten gevraagd om een tiltest te doen, waarbij ze telkens extra kilo's optilden totdat ze niet meer wilden/konden (lift capacity). Wellicht zou je, op biomedische gronden verwachten dat 'goed' tillen voor een grotere tilcapaciteit zou zorgen. Niets is minder waar. De 'goed til' (kinesiophobische) groep kon 32,1 kg tillen, de 'til maar' groep kon 39.6 kg tillen.

Wanneer deze resultaten nader bekeken werden, bleek de factor 'non-kinesiophobic examiner' (therapeut die je vrij liet tillen) een invloed van 14,41 kg te hebben, terwijl de factor nonkinesiophobic participant (participant denk zelf dat het niet uit maakt) slechts 3.25 kg invloed heeft.
Hoe je zelf denkt als therapeut heeft dus een forse invloed op wat de patiënt kan. Zonder dat je het weet, goed bedoeld zelfs, kun je een fors negatieve invloed hebben op je patiënt. Een interessante hint waar we als therapeut bij stil moeten staan.

Bron:
Lakke SE, Soer R, Krijnen WP, van der Schans CP, Reneman MF, Geertzen JH. Influence of Physical Therapists' Kinesiophobic Beliefs on Lifting Capacity in Healthy Adults. Phys Ther. 2015 Sep;95(9):1224-33. doi: 10.2522/ptj.20130194. Epub 2015 Apr 2. PubMed PMID: 25838337.

Trefwoorden: