De Wetenschapsreporter - Het SI probleem

25 feb 2020
Roland Reezigt
Roland Reezigt
Van onze Wetenschappelijke reporter
De wetenschapsreporter beschrijft dit keer de resultaten van een review van Pekaric-Klerx. In de klinische praktijk, onder zowel manueel therapeuten als fysiotherapeuten, heerst er discussie over SI problematiek. Verschillend gevolgde opleidingen, docenten en tijdsgeest kunnen hieraan ten grondslag liggen. Er lijkt consensus te zijn over het feit dat het sacroilliacale gewricht (pijn)klachten kan geven, echter liggen de twijfels bij het feit of dit klinisch binnen het diagnostisch proces goed te identificeren is.

Wat is het probleem?!

Voor een werkhypothese binnen het klinisch redeneren moeten er ten allen tijde twee vereisten worden behaald om de hypothese te kunnen toetsen (en vanuit de hypothese daarna te kunnen redeneren). Ongeacht welke hypothese, moet het altijd a) biologisch (of biopsychosociaal) plausibel zijn en b) testbaar. Voor klachten vanuit het SI gewricht kunnen we via twee wegen kijken; mobiliteitsklachten en pijnklachten. De focus nu is op de mobiliteitsklachten.

Voor de biologische plausibiliteit van mobiliteitsklachten moet er initieel gekeken worden of er mobiliteit is. Veel gehoord in de praktijk is dat er een ‘bekkenscheefstand’ is of een geblokkeerd SI gewricht. Hiervoor moet het SI op een manier bewegen die relevant is en tevens meetbaar is. Relevantie is in dit opzich zeer moeilijk, zelfs een zéér kleine bewegingsuitslag zou relevant kunnen zijn. Er is tot op heden géén kennis over wat de minimaal relevante bewegingsuitslag zou moeten zijn. Wel zijn asomptomatische mensen met een gefuseerde sacroillicale verbinding, wat wellicht gezien kan worden als indirecte bewijslast dat er géén beweging nodig ten aanzien van klachten (let op, dit is speculatief). Of er beweging is en hoe groot deze is, is wel bekend. Diverse studies vanuit de experimentele anatomie faculteiten hebben hierna gekeken en komen uit op een rotatie mogelijkheid van 0.1 – 4.0 graden (zie bijv Vleeming et al 1992 of Jacob en Kissling, 1995).

Voor de testbaarheid zijn er grofweg twee mogelijkheden; labtesten (Röntgen-stereo-photogrammetry bijvoorbeeld) en klinische testen. Met labtesten is de beweegelijkheid in kaart te brengen. Klinische testen, zoals we ze in de praktijk kunnen gebruiken, vraagt nader onderzoek.

De groep van Pekaric-Klerx et al, vanuit Hogeschool Utrecht, het SOMT en de Vrije Universiteit Amsterdam, heeft zeer recent een systematic review uitgevoerd naar de klinimetrische eigenschappen van SI mobiliteitstesten, gezien de laatste SR’s alweer 20 jaar oud waren.

Veel gebruikte palpatiemethodes, zoals het voelen waar de SIPS zijn (Thumb-PSIS test) kent een zeer lage betrouwbaarheid (k=0.2), mede doordat de betrouwbaarheid van het palperen van SIPS zelfs al zeer laag is. Overige testen, varierend van de Heel-bank test, abduction test tot click-clack test, Seated flexion test en Gillet test kennen iets hogere waardes, maar allen over het algemeen gemiddeld tot laag (met zeer uiteenlopende betrouwbaarheisintervallen, waardoor meer onderzoek om dit beter in kaart te brengen gevraagd is). De Seated flexion test komt er met een kappa van 0.64 (0.32-0.96) het beste uit de test, maar de vraag is of dit goed genoeg is.

De conclusie van de SR is dan ook dat, gelijk aan eerdere aanbevelingen, het gebruik van SI mobiliteitstesten in de klinische praktijk problematisch is en wellicht vermeden moet worden.

Bron;

  • Pekarić-Klerx, S. P., Pool, J. J. M., Coppieters, M. W., Mollema, E. J., & Pool-Goudzwaard, A. L. (2019). Clinimetric properties of sacroiliac joint mobility tests: A systematic review. Musculoskeletal Science and Practice, 102090. doi:10.1016/j.msksp.2019.102090

Trefwoorden: